De noodzaak van complete franchisewetgeving voor franchisenemers

In het regeerakkoord staat : “Er komt aanvullende wetgeving op het gebied van franchise om de positie van franchisenemers in de pre-competitieve fase te versterken.” Pre-competitief betekent 'buiten competitie' of 'in samenwerking'.

Het voornemen tot aanvullende wetgeving sluit dan ook naadloos aan op de doelstelling van de Nederlandse Franchise Code (NFC): het bieden van een normenkader dat leidt tot het verbeteren van de balans in de samenwerking tussen franchisegever en franchisenemer alsook de noodzakelijke versterking van de positie van franchisenemer bij deze samenwerking.

Het voornemen sluit ook aan bij de opvattingen van het Europees Parlement dat op 12 september 2017 met absolute meerderheid een rapport over de werking van franchise in de detailhandel en waarbij is gewezen op de zwakke positie van franchisenemer in verhouding tot franchisegever en de noodzaak van evenwichtige franchiseovereenkomsten voor de duur van de samenwerking.

Het voornemen tot aanvullende wetgeving sluit ook aan bij de concept wet franchise, zoals die onder leiding van het Ministerie van Economische zaken in samenwerking met het Ministerie van Justitie in de zomer van 2017 tot stand is gebracht met het oog op een wettelijke verankering van de NFC waarmee de noodzakelijke versterking van de positie van franchisenemer kan worden verzekerd.

Tenslotte sluit het voornemen tot aanvullende wetgeving aan bij andere onderdelen van het regeerakkoord betreffende de beperking van marktmacht alsook het streven te komen naar bruisende binnensteden. Dit streven zal nooit bereikt worden zonder de toegevoegde waarde van de MKB-ondernemers al dan niet in een franchisenemerspositie.

De economische impact van franchisenemers is zeer groot gezien het feit dat wij over meer dan 33.00 franchisenemers en dealers praten, waar ruim 300.000 medewerkers werken en die een omzet realiseren van 53 miljard euro. De franchiserelatie is een samenwerkingsverband bij uitstek. Van het begin tot het einde.

De noodzakelijke versterking van de positie van de franchisenemer in de samenwerking kan derhalve niet beperkt te worden tot alleen de precontractuele informatieverplichting.

De positie van franchisenemer dient tijdens de gehele duur van de samenwerking te worden versterkt.

In het regeerakkoord staat dat de regering aanvullende wetgeving wenst te introduceren voor de periode waarin partijen niet met elkaar in competitie zijn en derhalve samenwerken. In dat – volledige - verband dient de positie van de franchisenemer te worden versterkt

Dat alles heeft te maken met de oorzaak en redenen van de onevenwichtigheid.

De onevenwichtigheid tussen de franchisegever en de franchisenemer is zeker niet alleen een gevolg van informatievoorsprong, die zou kunnen worden verkleind door regels voor een precontractuele fase. Die onevenwichtigheid is net zoveel ook een gevolg van de economische prikkel bij franchisegevers om de franchiserelatie met name naar eigen belang in te richten hiertoe geholpen door de grote afhankelijkheid, de angstfactor en het gebrek aan organisatiegraad bij de franchisenemers.Voor de franchisegever is het reguleren, controleren en sturen van de relatie met de franchisenemers een kerntaak. Zij hebben daarvoor doorgaans een professioneel ingericht apparaat.

Onder het mom van “contractsvrijheid” immers richten franchisegevers de door hen gehanteerde standaard franchiseovereenkomst – die meestal niet onderhandelbaar is - zo in dat franchisenemer van alles MOET en franchisegever van alles MAG en waarbij meestal ingrijpende gevolgen zijn verbonden aan het niet voldoen door franchisenemer aan (één van de vele) verplichtingen uit de franchiseovereenkomst.

Franchisenemers houden zich voornamelijk bezig met de exploitatie van hun bedrijf en moeten er grotendeels op vertrouwen dat de franchisegever hen niet benadeeld of onredelijk beperkt.

En de franchisegever is geprikkeld en - zonder aanvullende wetgeving gericht op versterking van de positie van de franchisenemers in de samenwerking met de franchisegevers - in staat om hier ten nadele van de franchisenemers gebruik van te maken.

Dit leidt tot een samenwerking, die niet in balans is en waarbij door de sterkere en machtige partij (franchisegever) onvoldoende rekening wordt gehouden met (financiële en overige) gerechtvaardigde belangen van de zwakkere en afhankelijke partij (franchisenemer) waarbij de eerste zich gesterkt voelt door de franchiseovereenkomst die e.e.a. legitimeert.

Daarom kan het niet zo zijn dat franchisewetgeving zich slechts zou beperken tot de precontractuele informatieverplichting. Dat zou ook niet logisch zijn in het licht van het uitgebreide voortraject dat de NFC en de concept wet franchise hebben afgelegd, alsook de opvattingen van het Europees Parlement.

Er is bewezen aanleiding om de samenwerking binnen een franchiserelatie integraal te regelen: algemene principes, normen voor de wervingsfase, informatieverplichtingen, kaders voor het franchisecontract (wat moet er in staan en wat mag er niet in staan), en principes in verband met geschillenbeslechting zijn noodzakelijk.

Denk daarnaast ook aan het belang om het collectief overleg te reguleren, tussen de franchisegever en het collectief van franchisenemers, die als stakeholders bij de goede werking van de franchiseformule zijn betrokken. Dit specifieke belang sluit aan bij de corporate governance gedachte dat in besluitvorming de belangen van alle stakeholders dienen te worden betrokken.

De continuering van het voorliggende proces tot wetgeving ondersteund door ATR en de Raad voor de Rechtspraak, is in alle opzichten de juiste en passende weg om verder te volgen. Alleen zo kan de positie van franchisenemers in de samenwerking worden verbeterd en een evenwichtig speelveld tot stand worden gebracht.

NB: Wij hebben begrepen dat franchisegevers “pre-competitief” vertalen als “precontractueel”. Zij verwijzen dus naar aanvullende wetgeving die regels geeft uitsluitend in verband met de informatieverplichting van de franchisegever. Tegen die uitleg van “pre-competitief”, verzet zich de begripsbepaling. Bovendien zouden de ondertekenaars van het regeerakkoord wel “precontractueel” hebben geschreven, wanneer “precontractueel” zou zijn bedoeld.

Het in de franchisesamenwerking zo noodzakelijke evenwicht wordt niet verkregen door alleen een deel van de voorkant te reguleren, zoals hierboven is beschreven.