Als u aangifte inkomstenbelasting doet, is het mogelijk een aantal kostenposten in aftrek te brengen. Heeft u een fiscale partner, dan mag u bepaalde aftrekposten onderling naar keuze verdelen en kiezen voor de meest voordelige variant. Een eenmaal gemaakte keuze mag u maar beperkt wijzigen. De rechters hebben onlangs voor een aantal gevallen aangegeven wanneer wijzigen wel en niet mogelijk is.
Wat betekent dit?
De aftrekposten die u mag verdelen, zijn het saldo van de inkomsten en aftrekposten van de eigen woning, de aftrek vanwege geen of een kleine eigenwoningschuld, het voordeel uit aanmerkelijk belang, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, betaalde partneralimentatie en andere onderhoudsverplichtingen, uitgaven voor specifieke zorgkosten, uitgaven voor tijdelijk verblijf thuis van ernstig gehandicapte kinderen, broers of zussen, giften en het restant persoonsgebonden aftrek over vorige jaren. De verdeling kunt u in principe wijzigen totdat uw aangifte en die van uw partner definitief vaststaan en u niet meer in bezwaar kunt gaan. Bezwaar is mogelijk binnen zes weken na de datum van de aanslag. Bij een navorderingsaanslag kunt u de verdeling ook nog wijzigen, waarbij de Hoge Raad onlangs heeft beslist dat dit niet beperkt is tot de inkomensbestanddelen waarop de navordering betrekking heeft. In twee andere gevallen is beslist dat de verdeling niet gewijzigd kan worden vanwege gemiste toeslagen of verliesverrekening. Het ging hierbij om toeslagen waarop geen recht bestond, omdat was gekozen voor fiscaal partnerschap en de vermogensgrens werd overschreden. In de andere zaak ging het om het verloren gaan van heffingskortingen nadat achterwaartse verliesverrekening was toegepast. De verdeling wijzigen is weer wel mogelijk na een uitspraak in een massaal bezwaar procedure. De gevolgen ervan worden namelijk pas duidelijk na de individuele verminderingsbeschikking. Daarom kan ook de onderlinge verdeling worden gewijzigd tot zes weken nadat de verminderingsbeschikking bekend is gemaakt.
Ons advies
Denk goed na over de onderlinge verdeling van aftrekposten, want uit het bovenstaande blijkt dat achteraf wijzigen is maar beperkt mogelijk. In het aangifteprogramma van de Belastingdienst kunt u berekenen welke verdeling het gunstigst is. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het feit dat de meeste aftrekposten maar aftrekbaar zijn tegen maximaal 37,56%.
Sinds dit jaar kunnen particulieren met een elektrische auto onder voorwaarden een vergoeding krijgen voor stroom die thuis via een laadpaal is geladen. Deze vergoeding in de vorm van ERE-certificaten (Emissiereductie-eenheden) wordt verstrekt door bedrijven die fossiele brandstoffen verkopen. De Belastingdienst heeft onlangs bekend gemaakt dat een dergelijke vergoeding in beginsel onbelast is.
Wat betekent dit?
De vergoeding is niet als loon aan te merken en daarom onbelast, ook als het een auto van de zaak betreft. De vergoeding wordt namelijk niet betaald in opdracht en voor rekening van de werkgever. Met de vergoeding moet wel rekening worden gehouden bij het vergoeden van de laadkosten door de werkgever. Daarbij is de prijs van energie op de markt van belang op het moment dat werkgever en werknemer hierover afspraken hebben gemaakt. Het moment van de gemaakte afspraak is daarvoor dus bepalend.
Ons advies
De ERE-certificaten zijn onbelast, maar kunnen er wel toe leiden dat werkgevers minder laadkosten kunnen vergoeden. Dit is afhankelijk van het tijdstip waarop hierover afspraken zijn gemaakt en over de vraag of er toen al uitzicht was op inkomen uit ERE-certificaten.
Als ondernemer in de inkomstenbelasting moet u onderscheid maken tussen ondernemings- en privé vermogen. Voor wat betreft uw liquide middelen zult u aannemelijk moeten kunnen maken dat deze noodzakelijk zijn voor uw bedrijfsvoering. Kunt u dit niet, dan kan de Belastingdienst zich op het standpunt stellen dat er sprake is van duurzaam overtollige liquiditeiten en deze liquide middelen tot het privé vermogen rekenen dat belast is in box 3.
Wat betekent dit?
Anders dan bij ondernemers met een BV moet bij ondernemers in de inkomstenbelasting bepaald kunnen worden of liquide middelen zoals banksaldi, maar bijvoorbeeld ook beleggingen, al dan niet tot het ondernemingsvermogen behoren. Dit moet blijken uit uw administratie. U mag zelf kiezen, maar uw keuze moet wel redelijk zijn. In een zaak die onlangs speelde, had een collega van u ruim €450.000 aan liquide middelen als ondernemingsvermogen aangemerkt. De inspecteur ging hier niet in mee en stelde dat slechts €165.000 als ondernemingsvermogen moest worden aangemerkt, omdat dit aantoonbaar bestemd was voor de fiscale oudedagsreserve, een bedrijfsauto en zonnepanelen. Het resterende vermogen diende als duurzaam overtollig te worden aangemerkt en belastte hij in box 3. Uw collega bracht de zaak voor de rechter, maar kon hier niet hard maken dat een groter bedrag noodzakelijk was voor een gezonde bedrijfsvoering. Er was slechts sprake van een eenmanszaak van geringe omvang met dito omzet en bovendien kon niet hard gemaakt worden dat liquiditeiten nodig waren voor het verwerven van kantoorruimte, zoals de ondernemer beweerde. De rechter liet de correcties dan ook in stand.
Ons advies
Zorg ervoor dat u de omvang van in uw onderneming aanwezige liquiditeiten kunt onderbouwen. Daarbij is altijd een zekere marge toegestaan, maar als duidelijk is dat u liquiditeiten bewust buiten de heffing van box 3 probeert te houden, zal de inspecteur ingrijpen. Heeft u bepaalde plannen die in de toekomst een investering vereisen, leg deze dan vast en probeer de nodige liquiditeiten zo goed mogelijk in te schatten om navorderingen en boetes te voorkomen.
Als u een bestaande woning koopt, bent u veelal overdrachtsbelasting (OVB) verschuldigd. Als u de woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaat gebruiken, geldt het tarief van 2% of geldt er een vrijstelling. In andere gevallen, bijvoorbeeld wanneer u de woning koopt als belegging om te verhuren, geldt het tarief van 8%. Onlangs kwam voor de rechtbank Noord-Nederland de vraag aan de orde of er een termijn geldt waarbinnen u de woning als hoofdverblijf moet gaan gebruiken. Dit bleek niet het geval te zijn.
Wat betekent dit?
In de betreffende zaak had een echtpaar een gelijkvloers appartement gekocht omdat ze kleiner wilden gaan wonen. Ze hadden echter besloten het appartement tijdelijk aan hun terminaal zieke dochter met haar twee kinderen te verhuren en pas na haar overlijden zelf te betrekken. Het echtpaar was van mening dat voldaan werd aan de eis dat ze de woning na aankoop anders dan tijdelijk als hoofdverblijf zouden gaan gebruiken, al zou dit niet direct gebeuren. De inspecteur was van mening dat de woning voor de dochter was gekocht en dat dus het tarief van 8% van toepassing was. De rechtbank ging hier echter niet in mee, overwegende dat de dochter maar tijdelijk in de woning zou wonen. Vanwege de situatie van de dochter was de aankoop weliswaar vervroegd en werd de bewoning door het echtpaar zelf kort uitgesteld, maar dit maakte de zaak niet anders en dus was het tarief van 2% van toepassing.
Ons advies
Er is al vaker gediscussieerd over de vraag wanneer een woning na aankoop zelf bewoond moet gaan worden. Zo is in het verleden beslist, dat wanneer een woning eerst verbouwd moet worden ook het tarief van 2% of de vrijstelling kan worden toegepast, als de verbouwing niet langer dan zes maanden duurt. Duurt deze langer, dan moet aannemelijk gemaakt worden dat de verbouwing nu eenmaal langer in beslag nam en dat de woning niet eerder bewoond kon worden. In bovenstaande situatie was er sprake van bewoning op termijn, waarbij het gelet op de situatie nog steeds aannemelijk was dat de intentie er was om de woning op termijn zelf te gaan bewonen. De wet bevat geen termijn waarbinnen dit moet gebeuren en dus is dit afhankelijk van de specifieke situatie.
Online betaaloverzicht uitgebreid met vennootschapsbelasting
Voorlopige aanslagen, definitieve aanslagen en navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting zijn opgenomen in het online overzicht betalen en ontvangen van de Belastingdienst. Bedragen tot €50.000 kunt u direct betalen met iDEAL/Wero. Hogere bedragen moet u zelf overmaken, waarbij u de betaalgegevens uit het overzicht kunt overnemen. Het overzicht bevatte al gegevens met betrekking tot inkomstenbelasting en bijdrage Zorgverzekeringswet, motorrijtuigenbelasting, terug te betalen toeslagen, naheffingsaanslagen btw en naheffingsaanslagen loonheffingen.
Heeft u naar aanleiding van deze Fiscaflits vragen of wilt u persoonlijk advies, neem dan contact op met Vakcentrum Bedrijfsadvies (0348) 41 97 71.