Het is een harde wereld, waarin Van Praagh zich staande houdt met een duidelijke visie en een diepgewortelde passie. Dit jaar viert zijn winkel, Leeuwin’s Serviezenhuis, haar 100-jarig bestaan. Een eeuw van ondernemen, met omzwervingen door de stad, overgedragen van generatie op generatie. “Ik omschrijf het weleens zo: ik heb een hart van porselein,” vertelt hij. “Het is een oprechte liefde voor het materiaal, voor het vak, voor de schoonheid van de producten”. Dat straalt de grote winkel op het Utrechtse Oudkerkhof ook uit.
Passie als kern
Die passie is de kern van zijn strategie. “Je moet in een fysieke winkel wegblijven uit het midden van de markt, want daar red je het niet. Daar zitten Bol.com en Amazon.” Zijn filosofie is helder: “Werken we liever elf keer voor een dubbeltje, of vier keer voor een kwartje? Wij kiezen voor het laatste.” Dit betekent een focus op het hogere segment, op klanten die, net als hij, de schoonheid zien in een handgemaakt bord of een pan die een leven lang meegaat. “We richten ons op mensen die het leuk vinden om anderen thuis te ontvangen, voor ze te koken en dat speciaal te maken. Juist in deze tijd investeren mensen daarin.”
“Het doet dan ook extra pijn als je ziet dat leveranciers veranderen in door aandeelhouders geregeerde bedrijven zonder langetermijnvisie.” Bovendien ziet hij dat hij, net als veel collega’s in de non-food retail, ook nog de strijd moet aangaan met de eigen leveranciers. “Met je fabrikant moeten concurreren, dat voelt als een heel oneerlijk speelveld,” stelt hij. “Hun online verkoop is een eigen business unit geworden met eigen targets. Intern wordt soms met verlies verkocht, als de omzet maar gehaald wordt. Wij lopen daardoor constant achter de feiten aan.” Het gaat niet alleen om prijs, maar ook om beschikbaarheid. “Dan doet hun eigen webshop een claim op de voorraad waar ik als winkelier niet aan mag zitten. Ik moet een klant ‘nee’ verkopen, terwijl de fabrikant zelf online snelle levering belooft.”
Een baken in de stad
De combinatie van een uniek assortiment en de centrale ligging in Utrecht zorgt ervoor dat klanten uit het hele land de serviezenwinkel weten te vinden. Dat maakt een zaak als die van Van Praagh zoals hij zegt “tot een ‘baken’ in de binnenstad”. En dat is precies wat steden nodig hebben, stelt hij. “Als bezoekers alleen nog maar conceptstores voor de zoveelste food-hype zien, neemt de aantrekkelijkheid van een stad af. Voor een H&M of een pastéis de nata hoef je niet meer naar Utrecht te komen.”
Sterke binnenstad
Dat Utrecht een sterke binnenstad heeft werd onlangs nog eens bevestigd in de Europese competitie om de titel ‘European Capital of Small Retail’. Utrecht werd in de categorie ‘grote steden’ achter Barcelona. “We hadden een fantastische case, die we als Centrum Management Utrecht en de gemeente goed over het voetlicht hebben kunnen brengen. Ook de wethouder van Economische Zaken (en locoburgemeester) Schilderman heeft daar enthousiast aan bijgedragen.”
Hoewel Barcelona de titel won, was de competitie en de presentatie van de concurrerende steden wel leerzaam volgens Van Praagh.
Zo zag hij in de inzending van de gemeente Silandro in Italië het project ‘Be The Next Boss’. Daarbij zet de gemeente zich in voor het vinden van opvolging voor belangrijke lokale winkels. “Dat is essentieel om de cohesie en de unieke identiteit van een stadskern te behouden.” Dat voorbeeld maakt ook dat hij andere gemeenten oproept zeker mee te doen aan een volgende competitie. “Je leert er sowieso van.”
Het geheim van Utrecht: de kracht van het collectie
Wie het succes van de Utrechtse binnenstad wil begrijpen, moet met name kijken naar de unieke krachtenbundeling in de binnenstad. Volgens Van Praagh is de finaleplek in de Europese verkiezing direct te danken aan de unieke kracht van het Centrum Management Utrecht. “Het geheim zit voor een belangrijk deel in het centrummanagement. Wat we doen met het geld dat uit het ondernemersfonds komt, is echt gericht op het verbeteren van het economische klimaat voor álle belanghebbenden: retail, cultuur en horeca.”
Dat ondernemersfonds is cruciaal. Het is geen belastinggeld, maar een directe bijdrage die ondernemers en vastgoedeigenaren samen opbrengen via een percentage van de OZB voor niet-woningen. “Het is iets wat wij samen opbrengen, niet iets van de gemeente,” benadrukt Van Praagh.
Met de middelen uit het Ondernemersfonds is in Centrum Management Utrecht een gouden samenwerking gecreëerd. Ook vastgoedeigenaren maken deel uit van het bestuur. “Zij praten mee, mobiliseren hun achterban en denken actief na over hoe we leegstand tegengaan en nieuwe, passende ondernemers aantrekken. Dat maakt deze binnenstad een aantrekkelijke plek.”
Overigens leidt het Ondernemersfonds ook wel eens tot ‘misverstanden. Niet iedereen in de gemeenteraad heeft de opzet en het doel van het Ondernemersfonds goed in beeld, concludeert Van Praagh. “Ze denken dat ons ondernemersfonds belastinggeld is en vragen waarom we dat aan feestverlichting uitgeven en niet aan een groenstrook. Ze snappen de essentie niet: wij creëren de economische en sociale waarde waar de hele stad van profiteert.”